Paul Waayers
Paul Waayers

De held Bontebal

Ik weet het niet. Misschien ben ik wel de laatste om te schrijven over de onlangs overleden Haagse dichter Adriaan Bontebal. Want tussen nu en een min of meer intensieve samenwerking was immers 15 jaar geslopen. Aan de andere kant, die gekke Bontebal was in het publieke leven eigenlijk jarenlang de meest onopvallende Bekende Hagenaar en bewijst daarmee het gelijk van de Zweedse filosoof Roy Sorensen: juist de absentie maakt aanwezig.

Natuurlijk, de kenners en liefhebbers wisten Bontebal sowieso wel te vinden. Met de regelmaat van een Zwitsers uurwerkje schreef hij dagelijks zijn bevindingen op zijn site en blog. Kleine inkijkjes in zijn wel en wee, miniatuurtjes waarin de ruwe pennenstreek ontbrak maar diezelfde pen bijna met fijnzinnige archeologische precisie gehanteerd werd. Op die manier legde Bontebal zijn zielenroerselen bloot. En als het op melancholie aankwam, leek het alsof zijn grote inspirator Simon Carmiggelt even ter goedkeuring over zijn schouder meekeek.

Na Het Bericht een deel van zijn blogs gelezen. Mooie werkjes. Gek dat me dat nog niet eerder opgevallen was. Maar zo gaat dat nu eenmaal. De dag voor zijn dood hanteerde hij nog de pen. Sterven in het harnas noemt men zoiets. Een duidelijk gevalletje passie en gedrevenheid.

De eerste ontmoeting, wist ik veel, was in het Paard van Troje, alweer een paar eeuwen terug. Ik heb niets met dichtkunst maar op de een of andere schimmige manier was ik daar terecht gekomen. Een graatmagere man, vettig lang zwart piekhaar, een naar huidige modemaatstaven uitbundig brilmontuur met etalageruitbeglazing, inclusief een typisch sleep-loopje besteeg het podium en verhaalde iets literairs. Het bleek de mij vagelijk, want van horen zeggen, Bontebal te zijn.

Wat jaren later bewoonden we, samen met Pasgeld, Sarah Em en Robert Jan Rueb, één en hetzelfde columnistencollectief: ‘De Groeten uit De Haag’. We zouden congressen, debatten, en forumdiscussies op gaan leuken met snaakse columns over het onderwerp van dat moment.
De praktijk was echter weerbarstig. Verder dan ’n paar optredens zijn we nooit gekomen.
Eén memorabel moment hielden we er wel aan over: het optreden op tennispark Houtrust.

Stel u voor: een mooie zomeravond, veel publiek op het terras en midden op de aangrenzende tennisbaan een scheidsrechterstoel. U kent die scheidsrechtersstoelen wel van Wimbledon. Een soort huishoudtrap met daarop een stoeltje. Beurtelings zou een columnist plaats nemen op het trapstoeltje en zijn of haar ‘ding’ doen. Bontebal keek pijnlijk. Hoe moest ie in godesnaam met één gezond- en één houten been (een venijnig souvenir na een motorongeluk) in dat twee meter hoge stoeltje komen? Had de organisatie even niet aan gedacht. Rond de column van Aad ontstond op dat moment een soort van hilarische pauze.

Het zal nu driekwart jaar geleden zijn. Ik kwam een fietsende Bontebal op de Hooftskade, richting Om en Bij tegen. We raakten in gesprek bij de ophaalbrug. Bontebal had wat schubben-voedsel gescoord bij Marokkaanse Ben van vishandel de Zeespiegel in de Boekhorststraat. Aardige gozer die Ben, vonden we allebei. Na het wederzijds uitwisselen van kleine weetjes op alledaags niveau, vervolgden we onze weg. Ik keek Aad nog even na. De lange zwarte haren wapperend in de rijwind, het ene been dat rijwielde voor twee. Een kwetsbaar beeld van een uiterst kwetsbare man. En tegelijkertijd een held. Want om het in die kwetsbaarheid, zo goed en zo kwaad als het ging, bijna 60 jaar vol te houden, dat vergt moed. Heel veel moed.

Aad leeft niet meer. Maar dierbaren kunnen wellicht een toefje troost putten uit de bewezen filosofie van Sorensen: ‘Juist de absentie maakt aanwezig.’
Geplaatst op: Zondag 12 februari 2012 om 13:50 uur
47675
bezoekers
© 2012 - Paul Waayers